Peter en de kunst van het mollenvangen

lezing in Frieslandbouwmuseum

mollenvangerHet Frieslandbouwmuseum in Earnewâld toont dit seizoen in een kleine expositie een groot aantal bijzondere mollenvallen. In het kader hiervan komt mollenvanger Peter Matter langs voor een lezing over de kunst van het mollenvangen. De lezing is op woensdagavond 3 april a.s. aanvang 20:00 uur in het museum. Aanmelden kan op Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..
Omdat mollen schade kunnen toebrengen aan grasvelden, zoeken mensen al heel lang naar manieren om deze gravers te verjagen of desnoods te doden. Een veel gebruikt middel is het plaatsen van mollenklemmen in de mollengang. Nu worden ze fabrieksmatig gemaakt, maar vroeger was het maken van mollenvallen huisvlijt. Het Landbouwmuseum heeft een prachtige collectie van dergelijke vallen.

Inleider Peter Matter uit Noordhorn heeft een bedrijf in ongediertebestrijding en geeft lezingen en cursussen over het molenvangen. Hij heeft onlangs nog een witte mol gevangen. Matter: "Het is wel leuk dat ik er zelf een heb gevangen, ik heb wel eens van een oude mollenvanger gehoord dat die duizenden mollen gevangen had en nog nooit een witte".

Boeren zijn er niet blij mee: mollen en de door hen geproduceerde molshopen in het land. Lastig bij het maaien en schadelijk voor koeien als ze modder binnenkrijgen. Een mollenvacht is daarbij geliefd om in kleding te worden verwerkt. Het velletje was lange tijd een mooie bijverdienste. De mol wordt zodoende om twee redenen door de mens bejaagd.
De mollenvangst was in het verleden en met name in de Friese Wouden, een bron van inkomsten voor de arbeiders. Friese mollenvangers trokken in de jaren negentientwintig en -dertig op de fiets Nederland in, met een zak vol knippen aan het stuur, de schep aan de stang en een mollenhond (Bijke) in een korf op de bagagedrager. De handigsten verdienden er een voor die tijd prima belegde boterham mee De velletjes waren duur, ze hebben zelfs een tijdlang meer dan een gulden per stuk opgebracht, zodat een vangst van een stuk of twintig per week al een redelijk inkomen opleverde. In oktober 1912 bijvoorbeeld meldde de Zutphense Courant dat een zestal Friese Mollenvangers 'gelogeerd waren' in Zutphen: 'Die van daar uit in de omliggende dorpen hun bedrijf uitoefenen en een finale uitroeiing der mollen op het oog hebben.'' Een van hen ving nabij Warnsveld op één dag maar liefst 85 stuks, waarvan de huiden 19 á 20 cent per stuk opbrachten.
Op het hoogtepunt van de jacht op de mol kwam er een verbod op de vangst omdat het dier uitgeroeid dreigde te worden. Op 18 februari 1918 kwam er een ''Mollen- en kikvorschenwet''. De jacht ging, illegaal weliswaar, gewoon door.

Schade
Mollen zijn niet per definitie schadelijk, wel lastig. In de landbouwkundige mededelingen die vanaf de late jaren 1800 in de Leeuwarder Courant verschenen, zijn verschillende artikelen aan vermeende schadelijkheid van de mol gewijd.
''Gewoonlijk zegt men aldus: Waar de wortels afgeknaagd zijn en de planten sterven , zal men ook mollen vinden, en waar geene mollen zijn, geschiedt dit ook niet. Bij gevolg doet het de mol''.
Met andere woorden, men dacht dat de mol de graswortel kapot knaagde. De auteur kon aantonen dat de mol nuttig kon zijn: hij vrat juist schadelijke diertjes die de grasmat konden aantasten. Het bewijs lag in zijn maaginhoud: daarin zaten de resten van wormen, meikevers en emelten in plaats van plantenwortels. Ook zijn gebit was gemaakt om dieren te eten en had geen planteneter-kenmerken. Mollen zijn dus nuttige diertjes maar een teveel ervan is schadelijk voor de boer. Een perceel grasland met veel molshopen is lastig te maaien: de zeis en later de messen van de maaimachine raken bot en in het gewonnen gras zit veel modder en dat komt in koeienmagen terecht. Geen wonder dat er in het voorjaar driftig 'geweidesleept' werd om de bulten te slechten.

Jassen
Engeland was een grote afnemer van mollenvelletjes, waar ze gelooid werden en vervolgens verwerkt tot grote lappen zogenaamde 'bodies' of meteen vermaakt tot mantels en hoeden. Omdat de huidjes maar tien bij tien centimeter zijn, zijn voor een lange damesmantel al gauw zo'n vier- á vijfhonderd velletjes nodig. Het laat zich denken dat vooral het werkloon een mantel erg duur maakte. Ze kwamen vervolgens weer te koop in ons land. Bontwerkerij Hulshof aan de Nieuwestad in Leeuwarden had ze bijvoorbeeld te koop.
In de expositie zijn een jas en een hoed opgenomen waar mollenvacht in verwerkt is.
Volgens de nieuwe Flora- en faunawet in Nederland is de mol vanaf maart 2005 niet langer een beschermd dier. Indien hij schade veroorzaakt mag men hem (laten ) vangen.

makkeynfryslan

Timeskaters 

Frysk Lânbou Museum
Koaidyk 8b
9264 TP  Earnewâld

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  Telefoon 0511-539420   geregistreerd-museum
  Fax 0511-539697